Home Artikelen Geologie Dateringsmethoden „Aarde geen miljarden jaren oud”
„Aarde geen miljarden jaren oud” PDF Afdrukken E-mail

Honderden miljoenen jaren zijn de aardlagen oud. Tenminste, dat beweren de meeste wetenschappers op basis van ouderdomsdateringen. Toch is daar heel wat op af te dingen. Het is bovendien de vraag of die methoden betrouwbaar genoeg zijn om bij benadering de ouderdom van aardlagen te kunnen berekenen.

Studenten met een christelijke achtergrond krijgen tijdens hun natuurwetenschappelijke studie geregeld te maken met ouderdomsdateringen die in de miljoenen of zelfs miljarden jaren lopen. Dat staat echter haaks op wat ze vanouds uit de Bijbel weten, dat de aarde niet zo oud kan zijn. Dat stelt veel christelijke studenten voor een dilemma. Hoe moeten ze daarmee omgaan? Ze kunnen kiezen voor een uitleg van Genesis aangepast aan de moderne wetenschappelijke inzichten of kiezen voor kritisch onderzoek van de gebruikte onderzoeksmethoden met een letterlijke interpretatie van Genesis als uitgangspunt.

Nogal wat christelijke studenten bezwijken voor de seculiere wetenschappelijke druk. Zij proberen Genesis en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek met elkaar te verenigen. De twijfel slaat toe: Zouden al die geologen en natuurkundigen het dan mis hebben? Hun onderzoeksresultaten zijn toch betrouwbaar?

Er zijn toonaangevende christenwetenschappers die deze laatste vraag ontkennend beantwoorden. Acht gepromoveerde christengeologen en natuurkundigen richtten in 1997 het zogenoemde RATE-team -”Radioisotopes and the age of the earth”- op. Onder leiding van dr. Larry Vardiman, hoogleraar atmosferische wetenschappen, verrichtten ze jarenlang fundamenteel onderzoek naar ouderdomsdateringen en de leeftijd van de aarde.

 

(...)

 

RATE-team: Aarde is jong

Het RATE-team onderzoekt in de jaren 1997 tot 2005 of het radio-isotoopverval misschien niet altijd met een constante snelheid plaatshad. Het onderwerpt de veel toegepaste uranium-looddatering aan een kritisch onderzoek.

Kernfysicus dr. Russel Humpreys, lid van het RATE-team, gebruikt granodioriet, een granietsoort waarin zwarte mica voorkomt. Mica bevat zirkoonkristallen, die bij hun vorming tijdens het ontstaan van de aarde uraniumatomen hebben opgenomen. Ook de gangbare wetenschap gebruikt deze kristallen om de ouderdom van de aarde te bepalen.

Wanneer de kern van een instabiele uraniummoederisotoop vervalt, levert dit uiteindelijk de dochterisotopen lood en helium op. De ontstane heliumatomen, die vrij door het zirkoonkristal kunnen bewegen, verdwijnen uiteindelijk naar de buitenlucht. De snelheid van deze heliumlekkage is volgens het RATE-team belangrijk om de leeftijd van het gesteente te kunnen bepalen.

Het blijkt dat het meeste uranium inmiddels was vervallen tot lood -de zandloper was bovenin dus bijna leeg- maar de helft van het gevormde helium was nog aanwezig in het zirkoonkristal - die zandloper was nog maar half leeg.

Humpreys onderzoekt de snelheid van deze lekkage. Dat was voorheen nog nooit zo uitgebreid gebeurd. Uit de grote hoeveelheid meetgegevens blijkt dat de lekkage van helium keurig afhankelijk is van de temperatuur. Daaruit kunnen de onderzoekers de ouderdom berekenen. De helium die inmiddels was verdwenen, bleek overeen te komen met een ouderdom van het gesteente van 6000 jaar met een spreiding van 2000 jaar. De aarde zou zodoende maximaal 8000 jaar oud kunnen zijn.

De standaardmethode leverde een ouderdom op van zirkoonkristallen van 1,5 miljard jaar. Maar als de kristallen werkelijk zo oud zouden zijn, zou er onmogelijk helium uit radioactief verval overgebleven kunnen zijn, want dat zou in die lange periode allang weggelekt zijn.

Humpreys medeteamlid geoloog dr. Andrew Snelling concludeert daaruit dat het radioactief verval niet met constante snelheid kan hebben plaatsgehad. „Die schijnbare 1,5 miljard jaar heeft zich in korte tijd afgespeeld. Terwijl er nu nauwelijks uranium meer vervalt tot lood, lekt nog steeds helium uit de zirkoonkristallen met de bekende constante snelheid. Dat helium kan dus niet ouder zijn dan een paar duizend jaar.”

Radiohalo

Daarnaast heeft het RATE-team ook onderzoek gedaan aan radiohalo’s. Het is bekend dat wanneer uranium vervalt het heliumkernen als kogeltjes wegschiet. Dit vervalproces laat gaten achter in het kristalrooster van het zirkoon. Onder de microscoop is dat zichtbaar als een verkleurd gebied, een zogenaamde radiohalo. Uranium vervalt in acht stappen. Een volledige uraniumhalo heeft daardoor acht ringen.

Snelling vindt de halo’s dicht bij elkaar in het gesteente als verkleuringen, littekens van het radioactieve verval van uranium en polonium. Voor de vorming van een radiohalo is het equivalent van 100 miljoen jaar radioactief verval nodig, althans, als het verval verloopt met de vervalsnelheid die nu gemeten wordt.

In zirkoonkristallen zijn radiohalo’s gevonden van uranium, maar ook van het metaal polonium in hetzelfde kristal vlak bij de uraniumhalo. Radiohalo’s van polonium kunnen alleen ontstaan uit kortlevende poloniumisotopen -met een halfwaardetijd van 138 dagen- als het vormingsproces van het gesteente uiterst snel verloopt. Dat zijn aanwijzingen voor snelle stromingen van hete vloeistoffen en een snelle afkoeling van het vloeibare gesteente. De creationistische onderzoekers veronderstellen dat die afkoeling tijdens de zondvloed is gebeurd.

„De vele uraniumhalo’s bewijzen dat zich in het verleden veel radioactief verval heeft voorgedaan. Het bestaan van radiohalo’s uit uranium en polonium die heel dicht naast elkaar liggen, bevestigt dat uraniumverval versneld optrad in een zeer kort tijdsbestek, voordat het gesteente volledig was uitgehard”, aldus Snelling. Volgens hem bewijzen beide gegevens dat de veronderstelde periode van honderden miljoenen jaren van uraniumverval in een paar dagen plaatshad.

De halo’s zijn te vinden van onder tot boven in de rotsen van de beroemde Grand Canyon in de VS. Dat ze tegenwoordig nog zichtbaar zijn, betekent dat de onderste tot de bovenste lagen ongeveer dezelfde jonge leeftijd moeten hebben. Volgens de onderzoekers wijst dat erop dat ze tijdens de wereldwijde zondvloed in korte tijd zijn gevormd.

Splijtingsspoor

Ook de vele splijtingssporen in de zirkoonkristallen wijzen in die richting. Als een uraniumatoom vervalt, schieten twee even grote deeltjes in tegengestelde richting weg. Ze beschadigen het zirkoonkristal aan beide zijden van het oorspronkelijke atoom. Samen vormen ze een rechte lijn dat splijtingsspoor wordt genoemd.

Het aantal splijtingssporen komt nauwkeurig overeen met de leeftijd van het gesteente, die verkregen is met de radiometrische datering. Dat bevestigt dat de huidige radio-isotoopverhouding het gevolg is van radioactief verval, dat gelijktijdig de vele splijtingssporen heeft veroorzaakt. De hoeveelheid dochterisotopen was dus oorspronkelijk inderdaad 0 procent, bevestigt Snelling.

„We kunnen met zekerheid zeggen dat de splijtingssporen in het geologische archief bevestigen dat er 500 miljoen jaar aan radioactief verval heeft plaatsgevonden op aarde, gebaseerd op de halfwaardetijd zoals we die nu kennen.

Omdat de splijtingssporen zijn ontstaan bij verhoogde temperaturen en in relatief zacht gesteente, moeten ze in korte tijd zijn gevormd. Het radioactieve verval van 500 miljoen jaar moet dus ook plaatsgehad hebben in korte tijd. Omdat van de onderzochte lagen in de Grand Canyon bewezen is dat ze gevormd zijn door een catastrofe, ondersteunen de splijtingssporen de werkelijkheid van de Bijbelse zondvloed”, aldus Snelling.

„Afzonderlijk zijn deze bevindingen significant, en gezamenlijk laten ze zien dat het gedrag van radio-isotopen in het verleden overduidelijk anders was dan hun gedrag nu”, stellen de wetenschappers van het RATE-team.

Strandbal

Fysicus dr. Eugene Chaffin, hoogleraar aan de Bob Jones Universiteit, doet een poging het snelle verval van de radio-isotopen in het verleden aannemelijk te maken. „Volgens het gebruikelijke model zitten de alfadeeltjes (de heliumkernen, BvdD) gevangen in een potentiaalgolf, waarvan de bindingsenergie overeenkomt met de sterkte van de sterke kernkracht in het uraniumatoom.”

Zonder deze kracht zouden de positief geladen protonen elkaar afstoten en zou een atoomkern niet kunnen bestaan.

Een potentiaalgolf is voor te stellen als een watergolf met pieken en dalen. In een van de dalen drijft een strandbal die niet over een piek heen kan rollen en dus gevangenzit in het dal. Enigszins vergelijkbaar zitten de alfadeeltjes gevangen in de atoomkern.

Chaffin: „Een heel kleine verandering in het dal van de potentiaalgolf (in de kernkracht, BvdD) verandert het aantal knopen in de golffunctie.” De dalen zijn daardoor minder diep, zodat de strandbal met minder moeite over een golfpiek kan heenrollen.

„Daardoor kan de halfwaardetijd veranderen met een factor 100 miljoen en kunnen alfadeeltjes gemakkelijker uit het uraniumatoom ontsnappen”, aldus Chaffin.

Directe bewijzen dat het zo gebeurd is, heeft hij echter niet. Maar allerlei wetenschappelijke theorieën laten wel de mogelijkheid open dat de kernkracht kan variëren.

Radioactief verval

Van vrijwel elk element of elke atoomsoort bestaan meerdere isotopen, die van elkaar verschillen in massa en stabiliteit. Verschillende daarvan zijn niet stabiel. Hun radioactiviteit neemt in de loop van de tijd af, een proces dat bekendstaat als radioactief verval. Daarbij ontstaan uiteindelijk stabiele isotopen, meestal van een andere atoomsoort dan het uitgangsmateriaal.

Tijdens het radioactief verval stoten isotopen vaak zogeheten alfadeeltjes -heliumkernen die bestaan uit twee protonen en twee neutronen- en bètadeeltjes of elektronen uit.

 

De DVD van dit project is te koop in onze webshop onder de naam Duizenden...geen miljarden.

 

Voor de rest van dit artikel zie de onderstaande link:

 http://www.refdag.nl/artikel/1390877/Aarde+geen+miljarden+jaren+oud.html