Home Artikelen Geschiedenis Model van Robert de Telder Anomalie XI - Jericho
Anomalie XI - Jericho PDF Afdrukken E-mail

JOSHUA (FIT) FOUGHT THE BATTLE OF JERICHO AND THE WALLS CAME TUMBLING DOWN
Dit zijn de bekende woorden van het Amerikaanse gospellied betreffende het Bijbelverhaal over de verovering van Jericho door de Israëlieten onder leiding van Jozua zoals beschreven in het Bijbelboek Jozua. Een verhaal dat wereldwijd bekend is. Eerst zond Jozua twee verkenners naar Jericho om inlichtingen te bekomen over de verdedigingswerken en het moreel van de stadsbevolking. De twee mannen kregen onderdak in het huis van Rachab, een prostitué, die bij de uiteindelijke verovering en vernietiging van Jericho door de Israëlieten, met haar familie behouden bleef. De verovering van Jericho wordt op wonderlijke wijze in de Bijbel beschreven. Dag na dag, zes dagen lang, trok het leger van de Israëlieten in stilte omheen de stadsmuur. Op de zevende dag sloegen de Israëlieten toe. Die dag hieven zij na zes maal om de muur te zijn gemarcheerd, een luid krijgsgehuil aan en werd er op de ramshorens geblazen en prompt kwam de muur naar beneden. Elke soldaat liep daarop recht voor zich uit, staat er geschreven, de ingestorte muur over en sloeg heel de stad in de ban. Daarna werd Jericho tot de grond toe afgebrand. Dit is een weergaloos verhaal en was een uitdaging voor de archeologen wanneer deze wetenschap van start ging, om te onderzoeken,. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon het werk. Verschillende expedities werkten over de jaren achter elkaar in het gebied. De meest bekende namen zijn deze van de Bijbelgeleerde Ernst Sellin, professor John Garstang en Kathleen Kenyon. Een Duits-Oostenrijks team onder leiding van de theoloog Ernst Sellin werkte enkele jaren te Jericho van 1907 tot 1909. Zij hadden toelating tot graven gekregen van de toenmalige heersers over het gebied van het oude Israël, de Ottomanen. Sellin was een pionier op het gebied van Bijbelse archeologie. In zijn werk werd hij geassisteerd door de archeoloog Carl Watzinger. Met de rapportering van zijn bevindingen betreffende de opgravingen te Jericho werd hij nog niet geplaagd door de foutieve dateringsmethoden va latere archeologen. Hij bevond dat de noordelijke muur van Jericho niet volledig was neergekomen en concludeerde terecht dat deze zijde het huis van Rachab, die gespaard werd, moest gehuisvest hebben. Een gedeelte van de muur met een hoogte van ongeveer 2,40 meter stond in 1907 nog recht.
John Garstang werkte te Jericho in de dertiger jaren. De Britten hadden toen het zeggenschap over het gebied. Het huidige gebied van Israël en Jordanië samen, werd na de Eerste Wereldoorlog een Brits mandaatgebied. Garstang bestudeerde de versterkingen en herkende vier achtereenvolgende bouwfasen, waarvan de laatste gewelddadig verwoest en verbrand was. Hij schreef die vernietiging toe aan de periode van de Israëlitische intocht, die hij dateerde rond 1400 voor Christus, in afwijking van het meer algemeen aangenomen jaartal 1250 v. Chr., de zogenaamde late en vroege datering. Wanneer Garstang de vloeren van de Middenbrons stad blootlegde vond hij kruiken tot de rand toe gevuld met verkoold graan wat het Bijbelse relaas bevestigde dat de Israëlieten Kanaan binnenkwamen met Pesach op het moment dat er geoogst was. Ook vermeldt de Bijbel dat alles met vuur verbrand werd. Deze bevindingen van Garstang werden echter in de vijftiger jaren door de archeologe Kenyon volledig onderuit gehaald. Zij bevond dat er een grote stad uit de vroege bronstijd in Jericho was geweest gedurende heel het derde millennium tussen 3000 en 2300 v. Chr., waarvan de muren niet minder dan zeventien maal gevallen en weer opgetrokken waren., toen de stad als een gevolg van een ramp vernietigd werd. De laatste drie fasen van deze versterkingen waren zeven meter voorbij de lijn van de oorspronkelijke muren gebouwd, lager langs de helling van de heuvel of Tell. Dit waren dan de muren geïdentificeerd door Garstang en gedateerd ten tijde van Jozua maar nu door Kenyon gereviseerd naar zo een duizend jaar eerder dan de intocht van de Israëlieten. Gedurende vele eeuwen na de vernietiging van Jericho in 2300 v. Chr. werd Jericho volgens Kenyon, alleen bezet door nomaden tot ongeveer in 1900 v. Chr. een nieuwe stad ontstond: het Jericho van de Middenbronstijd. Deze stad kwam volgens haar, aan haar einde ten tijde van de laatste Hyksos-farao’s in Egypte rond 1550 v. Chr. op basis van de orthodoxe tijdsdatering. De verwoesting door vuur werd verklaard vanuit de theorie van de verdrijving van de Hyksos uit Egypte en een achtervolging door het leger van farao tot aan Jericho. Na deze vermeende vernietiging door het leger van farao, waar geen enkel Egyptisch historisch verslag van bestaat (!), werd de plaats van Jericho volgens Kenyon verlaten en begon het puin van de verwoeste stad langs de hellingen van de Tell weg te spoelen. De plaats werd volgens Kenyon opnieuw bezet rond 1400 v. Chr. maar op een veel kleiner schaal. Er werden geen nieuwe muren gebouwd, maar vermoedelijk lapten de nieuwe bewoners de resten van de middenbrons muren op. Deze tweedehands muren zouden dan de muren geweest zijn die Jozua deed vallen. Kathleen Kenyon bleef er echter bij dat de herbezetting van Jericho minder dan een eeuw duurde totdat de stad opnieuw verlaten werd, niet later dan 1300 v Chr. Haar conclusie is dat Jericho al een ruïne was ten tijde van de Israëlitische intocht wanneer die orthodox gedateerd wordt in 1250/1225 v. Chr. Sindsdien heeft de Bijbel voor de wetenschap van de archeologie als historisch boek alle krediet verloren. De Bijbel wordt niet langer meer als een historisch boek beschouwd.
Verlegenheid op verlegenheid was troef bij Bijbelgetrouwe studenten vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw. Chronologische constructies werden opgezet en aangeboden om toch een en ander te kunnen verzoenen. Hierbij werd altijd uitgegaan van de juistheid van het aangeboden raamwerk dat de chronologie van de Egyptologie beweerd te zijn. De hierna vermelde
laat zo een mogelijke reconstructie zien. De muur is hier niet volledig ingestort maar enkele openingen laten de verovering van een Laatbrons Jericho toe. De Bijbel leert echter dat heel de muur neerkwam en dat iedere soldaat recht voor zich uit de stad binnenrukte.

Jozua 6: 5 Wanneer men op de ramshoorn de toon aanhoudt en gij het geluid van de hoorn verneemt, dan moet het gehele volk een luid gejuich aanheffen en de stadsmuur zal ineenstorten en het volk moet daarop klimmen, ieder recht voor zich uit.

Het diabolische is dat de hiervoor vermeldde archeologen, die overigens prachtig werk op het terrein geleverd hebben, een foute dateringsmethode hanteerden en als een gevolg daarvan tot hun boude verklaringen kwamen. Alle aardlagen en strata in Israël werden en worden gedateerd, aan de hand van de jaartallen die de Egyptologie levert. Wanneer bijvoorbeeld een scarabee van een zekere farao in een bepaalde laag aangetroffen wordt, wordt dit stratum op basis van het gevonden Egyptische object gedateerd. En aangezien het chronologische raamwerk van de Egyptologie fout is geeft dit foute dateringen weer in het gebied van het oude Israël.

 

Betreffende de exodus uit Egypte en de intocht in Kanaan veertig jaar later door de Israëlieten, leren de meeste boeken (en ook Hollywoodfilms), dat farao Ramses II, de koppige tegenstander van Mozes, de farao van de Exodus was. Deze farao wordt door de orthodoxie in het Laatbrons tijdperk geplaatst en dus zocht men naar sporen van een Israëlitische invasie op het einde van het Laatbrons tijdperk, meer nauwkeurig bij de overgang van Laatbrons LBIIb naar het IJzertijdperk IA. Farao Ramses II was een farao van de 19de dynastie. De onderzochte strata van het Laatbrons te Jericho geven echter geen beeld weer van een vernietiging zoals de Bijbel die leert. Volgens het Bijbelrelaas kwam de vestingmuur van Jericho volledig naar beneden en werd de stad met alle voorraden erin verbrand. Een bekend revisionist van de geschiedenis van de oudheid is Donovan Courville. De onderzoeker B. Th., B.A., M.A., Ph. Dr. Donovan Courville laat de Exodus op het einde van de Egyptische zesde dynastie en het Oude Rijk plaatsvinden en verplaatst Vroeg Brons IV naar de tweede helft van de 15de eeuw voor Christus. Het Oude en het Middenrijk waren volgens Courville contemporain met slechts één tussenperiode, die van de Hyksos, die na de Exodus met de vernietiging van het leger van farao, Egypte overrompelden. De Israëlieten vervolgden hun weg naar Kanaan dat zij veertig jaar later in bezit namen. Zij waren nieuwkomers met logischerwijze een nieuwe soort potten en pannen. Zij namen, gepaard gaande met natuurlijke catastrofes, op gewelddadige wijze het land in bezit. In het model van Courville volgt de Middenbrons periode onmiddellijk op het Vroegbrons tijdperk. Het archeologische beeld in de streek van Jericho is duidelijk – een noodlottige catastrofe, gevolgd door bezetting door nieuwkomers. Het is in feite een eenvoudige oefening die Courville toepast. Hij toont aan dat de Egyptologie er zeshonderd jaar naast zit. Wanneer we de datering van het begin van Middenbrons aan de Bijbelse gegevens aanpassen valt veel op zijn plaats. Niemand twijfelt er aan dat de Israëlieten later het machtigste volk van Israël werden; dus veroverden ze op deze wijze het land. Dat is uitgangspunt, het fundamentele feit. Een citaat van de Bijbelvorser en Wetenschapper Courville:
“...It must not be forgotten that the task of historians is not to create history. The events of history have occurred, and there is nothing that can be done to change the time relationships between these events by a single minute. The task is rather that of unraveling the confused records which have come down to us, and when this task has been done correctly, it is axiomatic that it should not be necessary to apologize for inconsistencies and anomalies at every turn of events.”1971 AD Donovan A. Courville, B.Th., B.A., M.A., Ph.D.

 

 

 

Conclusie: het is alleen de volledige herziening van de chronologie van de orthodoxe Egyptologie dat echt uitkomst biedt. Er zijn onderzoekers die het Bijbelverhaal trachten recht te doen door het zoeken naar oplossingen. Er worden constructies aangeboden waarbij men de moeilijke Bijbelse jaartallen loslaat en naar een zogenaamde late datering van de exodus gaat om een en ander te kunnen verklaren. De Griekse LXX Septuagint Bijbelvertaling met haar afwijkende jaartallen wordt ook gehanteerd wat alleen maar aan de verwarring toevoegt. Men zit in het keurslijf van de orthodoxe Egyptologie dat men als een historische bron beschouwd, en zoekt naar aanvaardbare faraokandidaten voor de exodus in de 18de en 19de dynastie van Manetho. Een moeilijke opdracht aangezien de Bijbel leert dat farao tezamen met zijn leger (Psalm 136:15) in de Rode Zee verzoop wanneer hij de Israëlieten meende te kunnen achtervolgen.

 

Je kunt dan in je naïef geloof blijven, zoals dat zondagsschoolventje dat nadat hij de onderwijzer had horen uitleggen dat de Rode Zee zich helemaal niet geopend had zoals het in de Bijbelfilm de tien geboden te zien is, maar dat de Israëlieten door een rietzee trokken met water slechts tot aan de knieën. Het zondagsschoolmannetje merkte toen op: maar meester, dan is er nog een groter wonder geschied, want dan zijn al die Egyptenaren in een halve meter hoog water verzopen. Men kan hier om glimlachen, intussen blijft het onze verantwoordelijkheid om de geschiedenis te ontrafelen. Al diegenen die oprecht, naïef of moedwillig, in de strata van het Laatbrons tijdperk te Jericho op zoek gaan naar bewijzen van een vernietiging van Jericho zoals de Bijbel leert, zijn in feite bezig zoals de illustratie van dat dappere ventje in de klas die de rietzee route maar op de koop toe neemt, maar verder geen onderzoek doet naar de correcte weg van de exodusroute.
De consequentie van het plaatsen van de vernietiging van Jericho in het Laatbrons tijdperk is dat dan het grote rijk van Salomo zoals beschreven in de Bijbel, in het IJzertijdperk valt en van de uitgebreide bouwactiviteiten van Salomo zijn in de strata van het IJzertijdperk geen echte sporen terug te vinden. De diabolische consequentie hiervan is dat heel de Bijbel dan mythe wordt. Of hoe belangrijk het werk van het revisionisme van de oudheid is. Tot slot nog even opmerken dat de benaming: brons en ijzertijd, niet veel met het gebruik van deze metalen te maken heeft maar alles met het gebruik van de verschillende soorten aardewerk – potten en pannen dus – die in de verschillende strata gevonden worden en die op basis van de orthodoxe datering van de Egyptologie gedateerd worden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van Robert de Telder. Voor het originele artikel zie de onderstaande link:

http://www.chronology.be/Anomalie%20elf.htm.

 

Het revisionisme van de Egyptologie alleen geeft uitkomst. Vooral Dr. Immanuël Velikovsky was in de tweede helft van de twintigste eeuw, met zijn publicaties de aanzet tot een wereldwijde studie. De Bijbel had toch gelijk. In de tussentijd heeft de orthodoxie ook niet gerust en houdt zij hardnekkig vast aan de juistheid van haar vermeende Egyptische Sothisdatering.