Home Overige Onderwerpen Darwin (Zijn leven en theorie) Darwin Centre toont onderzoeker in actie
Darwin Centre toont onderzoeker in actie PDF Afdrukken E-mail

Met het nieuwe Darwin Centre geeft het Natural History Museum (NHM) in Londen een geheel eigentijdse invulling aan het begrip ”depot”: geen saaie bewaarplaats, maar een plek van kennisoverdracht. In het hypermoderne gebouw, maandag geopend door prins William van Wales en natuurfilmer Sir David Attenborough, kan de bezoeker zelfs met wetenschappers babbelen.

De ”Cocoon”, zoals de nieuwe vleugel inmiddels over de tong gaat, oogt futuristisch. „Dat was ook de bedoeling”, vertelt Anna Maria Indrio van het Deense architectenbureau C. F. Møller naast haar geesteskind. „Het symboliseert de manier waarop dit museum de toekomst tegemoet treedt: het publiek meer bij de collectie betrekken.”

De even kolossale als verrassend elegante vorm is gebaseerd op het spinsel van een zijderups, aldus de Italiaanse architecte. Het geheel, opgetrokken uit roomkleurig beton en gevangen in een 65 meter hoge ‘doos’ van glas en staal, vormt een contrast met het overdadig gedecoreerde NHM, dat in 1881, een jaar voor Darwins dood, de deuren aan de Cromwell Road opende.

De bouw van de nieuwe aanwinst, ietwat verscholen achter de Victoriaanse ”Tempel van de Natuur”, nam ruim twee jaar in beslag. Daarmee is de tweede en laatste fase voltooid van het zogeheten Darwin Centre dat in totaal zo’n 90 miljoen euro opslokte. „In de 128 jaar dat het museum bestaat was er niet eerder zo’n belangrijke uitbreiding”, geeft directeur dr. Michael Dixon tijdens een rondleiding aan.

Veilig onderkomen

De eerste fase, ondergebracht in een minder spectaculair ogend pand, werd zeven jaar geleden door koningin Elisabeth geopend. Daarin bevindt zich de brandgevaarlijke ”spirit”-collectie, zo genoemd omdat daar het merendeel van de 22 miljoen zoölogische specimen in glazen potten met alcohol wordt bewaard.

De nu geopende cocon vormt het hart van het Darwin Centre en biedt onderdak aan laboratoria en andere onderzoeksfaciliteiten. En daarnaast dient deze vleugel vooral als een veilig onderkomen voor maar liefst 17 miljoen insecten en 3 miljoen planten, een aspect dat de architecten met het omhulsel eveneens wilden visualiseren.

In het gebouw zijn de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om de kostbare collectie zo goed mogelijk te bewaren. Zo hebben de gebogen wanden geen hoeken, waar schadelijke beestjes als de museumkever zich in kunnen verbergen. Oude, houten kabinetten zijn vervangen door verrijdbare, metalen kasten. En omdat sommige onvervangbare specimen gevoelig zijn voor licht en luchtvochtigheid wijst in de –verduisterde– ruimtes het kwik 17 graden en schommelt de luchtvochtigheid rond de 45 procent.

Kroonjuwelen

De populaire, gratis toegankelijke Londense attractie beschikt over ruim 70 miljoen objecten. Van dat duizelingwekkende aantal zijn er 20.000 in het museum dagelijks zichtbaar. Binnen dit wetenschappelijke erfgoed, bijeenvergaard in de afgelopen vier eeuwen, bevinden zich 877.000 zogeheten type-exemplaren: individuele dieren of planten aan de hand waarvan een soort voor het eerst is beschreven. Ze dienen nu als referentie voor taxonomen die de identiteit van soorten willen vaststellen.

Gewoonlijk bergen musea dergelijke ”kroonjuwelen uit de natuur” veilig op, achter gesloten deuren. Het NHM breekt met deze traditie. „Vanaf nu verschaffen we het publiek toegang tot de historische collecties, onze wetenschappers én het depot”, geeft directeur Dixon aan. „Wij draaien het museum binnenstebuiten. We willen tonen dat dit instituut zich met essentieel onderzoek bezighoudt, met collecties die van internationaal belang zijn. Naar onze mening hoort een museum in de 21e eeuw zo te functioneren.”

”Live” contact

Dagelijks kunnen 2500 bezoekers zich vooraf aanmelden voor een interactieve toer in de drie bovenste verdiepingen van de cocon. Een hellend pad leidt hen langs bijzondere voorbeelden uit de planten- en insectencollectie, die in veel musea meestal een ondergeschoven kindje is. Kevers die door Charles Darwin en zijn rivaal Alfred Wallace zijn verzameld staan keurig uitgestald. Zo ook de mysterieuze barometz, een plantje waarvan middeleeuwers dachten dat daar schapen uit groeiden.

Tijdens de ontdekkingstocht profileert het NHM zich nadrukkelijk als onderzoeksinstelling. Zo vertelt dr. Yvonne Linton hoe ze de DNA-barcode van 3500 soorten malariamuggen in kaart probeert te brengen. Zij geeft met haar collega’s overigens niet alleen uitleg via tekst- en videopanelen. Een aantal wetenschappers is in laboratoria live bezig. Daarnaast is er met sommigen van hen direct contact mogelijk. Dr. Erica McAlister prepareert bijvoorbeeld vandaag in een glazen studio wolzwevers, angelloze vliegen die op bijen lijken. Al haar handelingen worden direct op de ruit geprojecteerd. En wil iemand ter plekke iets weten, dan kan hij of zij haar direct via een microfoon aanspreken.

Op de vraag of zij zich niet als een vis in een kom voelt, kaatst zij de bal terug. „Voor ons gevoel kijken wíj naar een aquarium. In ieder geval vinden we het leuk om op deze manier inzicht te geven in ons werk.”

Interesse wekken

Het museum hoopt mensen niet alleen te inspireren op een andere manier na te denken over het milieu en het behoud van de aarde, maar probeert vooral jongeren voor een wetenschappelijke studie te interesseren. „In Groot-Brittannië is de laatste jaren een enorme afname van het aantal studenten op dit terrein”, geeft dr. Dixon aan. „Ons land heeft veel topwetenschappers voortgebracht; Charles Darwin is een van de bekendste. We zitten te springen om nieuwe Darwins.”

Om die reden is hij blij dat de jonge prins William genegen was deze hypermoderne noviteit maandag te openen. „Het Darwin Centre is een uitstekende manier om zijn leeftijdsgenoten de interesse voor wetenschap te wekken. Hier zien zij dat het vergaren van kennis zowel leuk als boeiend kan zijn.”

www.nhm.ac.uk/darwincentre.

Ode aan Sir Attenborough

Fluorescerende schorpioenen, een zeldzame meteoriet van Mars en een liveverslag vanaf de zeebodem. In de Attenborough Studio van het Darwin Centre neemt de interactie tussen publiek en wetenschappers soms verbazingwekkende vormen aan. „Dit is het meest vooruitstrevende onderdeel”, aldus directeur Dixon. „Omdat we telkens gebruik zullen maken van de nieuwste multimediatechnieken zal deze studio nooit klaar zijn. We zijn hier voortdurend in beweging.”

Het museum werkt daarbij nauw samen met de Natural History Unit van de BBC, die vooral met de natuurdocumentaires van Sir David Attenborough wereldfaam geniet. De manier waarop de inmiddels 83 jaar oude natuurfilmer in stuwend, poëtisch Engels en met een aanstekelijk enthousiasme zijn soms bloedstollende ervaringen met dieren en planten al een halve eeuw met het publiek deelt, was reden om de studio naar hem te noemen. „Wetenschappers kunnen wat dat betreft veel van zijn aanpak leren”, stelt Dixon. „Deze studio is een ode aan hem.”

Niettemin is hij trots op de 350 onderzoekers van zijn museum (ter vergelijking: in het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis te Leiden werken 25 wetenschappers, WHS.). „Jaarlijks produceren ze zo’n 500 wetenschappelijke publicaties. Op hun terrein zijn het toppers, maar het brede publiek kent hen nauwelijks. Het Darwin Centre brengt daar verandering in, want ze zijn zonder uitzondering verplicht om minstens eens per jaar een lezing te houden.”

Vandaag verbaast dr. Adrian Glover de toeschouwer met een vingergroot organisme dat hij onlangs tijdens diepzeeonderzoek in Antarctica boven water haalde. Van deze zeeworm (Laetmonice producta), afkomstig uit een leefgebied waar nog veel te ontdekken valt, komen volgens hem in de Europese oceanen vergelijkbare exemplaren voor. „Op de zeebodem kluiven deze beestjes walvisbotten af”, vertelt de Britse zeebioloog, die met dr. Thomas Dahlgren van de universiteit van Göteborg op de bodem van een Zweeds fjord een webcam plaatste om dit eetgedrag vast te leggen. Het publiek kan in de Londense studio gelijk meekijken. Even later is er zelfs livecontact met Glovers collega, die op dat moment in duiktenue de bottenverslinders onder water observeert.

Attenborough is blij met de vooruitstrevende aanpak van het NHM. „Sinds 1954 reis ik voor mijn natuurprogramma’s naar alle uithoeken van de wereld. Ik had het geluk om fascinerende dingen te observeren, variërend van paradijsvogels tot ongelooflijk kleine kameleons. Voortschrijdende ontwikkelingen in techniek en communicatie maken het mogelijk de wereld te onderzoeken en wonderbaarlijke ontdekkingen met velen te delen. Deze hightechstudio, voorzien van de nieuwste snufjes, is daar een prachtig voorbeeld van. Het draagt ertoe bij op een unieke manier meer van de diversiteit van de natuur te proberen doorgronden. Ik hoop dat we door het uitwisselen van zulke ervaringen in staat zijn de volgende generatie zodanig te inspireren dat ze stappen ondernemen om de toekomst van onze planeet veilig te stellen.”

Alert op museumkever

De ‘droge’ planten- en insectencollectie stelt volgens Geoff Martin heel andere eisen dan de ‘natte’ verzameling, zoölogische specimen die in alcohol worden bewaard. De beheerder van de schubvleugeligen was de afgelopen maanden verantwoordelijk voor de verhuizing van bijna 9 miljoen Lepidoptera van een museumdepot in Zuid-Londen naar het nieuwe gebouw. „Je praat dan over zo’n 80.000 laden. Slechts een paar beestjes zijn van hun speld gevallen. Best een prestatie bij zo’n omvangrijke klus”, blikt de entomoloog tevreden terug.

Voordat deze gigantische operatie zich voltrok, nam Martin en zijn collega’s de gelegenheid te baat de hele collectie opnieuw te inventariseren en te ordenen. „De eerste grote schoonmaak sinds 150 jaar”, lacht hij. „Die was hard nodig. Taxonomische rangschikkingen zijn de laatste decennia aanzienlijk gewijzigd. In sommige gevallen waren motten en vlinders verkeerd bij elkaar gegroepeerd. De collectie wordt nu hergeordend op basis van een modernere classificatie.”

Zijn team heeft de inhoud van 23.000 laden inmiddels zorgvuldig bekeken en opgeslagen in een database. Dat laatste is van belang om elk insect weer terug te kunnen vinden, vooral als het exemplaren betreft die door bijvoorbeeld Wallace of Darwin zelf zijn verzameld of soorten die al zijn uitgestorven.

Eén organisme is niet welkom in de nieuwe opslagfaciliteit: de museumkever (Anthrenus verbasci). De larven van dit beestje zijn in staat zich door de kleinste kieren te wurmen en zijn bovendien ongekend vraatzuchtig. Martin: „Ze zijn dol op dood organisch materiaal. Als we niet zorgen dat de ruimtes hermetisch van de buitenwereld zijn afgesloten, blijft van een opgezet insect alleen de speld en het etiket over.”

 

Voor de rest van dit artikel zie de onderstaande link:

http://www.refdag.nl/artikel/1432403/Darwin+Centre+toont+onderzoeker+in+actie.html