Home Artikelen "In de Maatschappij" Scheppingsmodel in Nederland Reactie op recensie René Fransen in het ND
Reactie op recensie René Fransen in het ND PDF Print E-mail
Gebruikers waardering: / 15
LaagsteHoogste 

Reactie op ‘Het schijnbare gelijk van Peter Borger’, recensie van RENÉ FRANSEN j.l vrijdag in het Katern.

Waar RENÉ FRANSEN gelijk in heeft is dat Peter Borger nogal wat simpele fouten en drukfouten heeft laten zitten in zijn boek. Dat zijn nogal wat stokken om een hond te slaan. Dat vond ik zelf dan ook erg jammer, maar geen reden om de hoofdlijn van zijn betoog terzijde te schuiven zoals aan de recensie. Ik citeer: “Wie principiële bezwaren heeft tegen het idee van evolutie, vindt hierin een wetenschappelijk uitziende weerlegging van Darwins theorie. Helaas blijkt de keizer geen kleren te dragen, zoals zo vaak bij boeken die het wetenschappelijk creationisme verkondigen” Om ook een spreekwoord hiertegenover te plaatsen: Nu wordt het kind weer met het badwater weggegooid. Het doet geen recht aan de werkelijke inhoud van de gegevens, die Borger aandraagt. Die zijn belangwekkend genoeg en mijns inziens niet alleen voor het creationistische erf, waartegen onnodig geschopt wordt. We zijn toch ergens broeders of niet? Verder ben ik het niet eens met de recensist als hij stelt dat Borger onvolledig Stephan J. Gould citeert, want het gaat Borger hier niet om een discussie met Gould maar om de gedachtegang in de tijd van Darwin zelf. Het staat in het begin van het boek in het hoofdstuk ‘flogiston’. Met dit hoofdstuk probeert Borger oude argumentatie op te frissen, waar we nog wat uit kunnen leren. Ook de vraag die Fransen opwerpt over waar Borger staat met betrekking tot de tijdsduur van de biologische ontwikkeling in miljoenen of zesduizend jaar vind ik niet relevant. Dat zou mijns inziens een volgende stok zijn om de hond te slaan en ik ben blij dat Borger dat daterings onderwerp niet inbrengt om zijn zuiver biologische argumenten te ondermijnen. Hiermee stel ik een vraag aan een bioloog als Fransen: Waarom menen biologen dat alllerlei evolutieprocessen, zoals duizenden generaties lange kleine graduele veranderingen in de erfelijke aanleg en bouw van organismen wel mogelijke zullen zijn, vanwege de overvloedige hoeveelheid tijd. Is de tijd dan de motor van de evolutie? Het gaat toch om de werkelijk eventueel experimenteel aantoonbare verschijnselen van de oorsprong van de eerste genen en hun wijzigingen of verdubbelingen en de effecten van kunstmatige of natuurlijke selectie? Het moet toch natuurwetenschap blijven en niet, zodra het natuurwetenschappelijk buitengewoon moeilijk wordt iets aan te tonen van de neodarwinistische evolutie, dan maar hopen op zoiets als “tijd zat”? Wat mij bij het lezen van de echte argumenten rond de variatie inducerende genetsiceh elementen [VIGE’s] opviel, was het wezenlijk nieuwe inzicht in deze matierie van de erfelijkheid. Allerlei tot voor kort ‘Junk DNA’ genoemde gedeelten van het genoom, blijken een bijvoorbeeld regulerende functie te hebben. Als Darwin meer had geweten van de ‘nieuwe biologie’ – de biologie, zoals die nu tot ons komt in al zijn moleculaire aspecten – dan had hij een veel eenvoudiger antwoord gevonden op het ontstaan van genetische variatie en de bijbehorende radiatie en zijn kunstmatige of natuurlijke selectie voor de oorsprong van de rassen en soorten. Dan was in op het wetenschappelijke erf van het eropvolgende neo-darwinsime van de 20e eeuw, waarin de toevallige mutaties een hoofdrol zijn gaan spelen, om de variatie en wijziging in de erfelijke aanleg te verklaren, mogelijk meer tijd en inzicht gewonnen in de werkelijke processen van de moleculaire genetica. Dus wat mij betreft, ondanks de slordigheden in het boek ‘Terug naar de Oorsprong, of hoe de nieuwe biologie het tijdperk van Darwin beëindigt’, een werk dat aandacht verdient.

Met vriendelijke groet, Henk R. Murris, docent biologie.