Home Artikelen Theologie Het lezen van Genesis Een Taalkundige studie rond de eerste verzen van de Bijbel
Een Taalkundige studie rond de eerste verzen van de Bijbel PDF Afdrukken E-mail
Inleiding
 
Er is in de loop van de tijd heel veel gepubliceerd over de eerste verzen van het bijbelboek Genesis. Het aantal commen­ta­ren dat deze passages be­spreekt, is dan ook ontelbaar. Men treft daarin zeer uiteenlopende opvattin­gen aan, afhanke­lijk van de theologische vooronderstellingen, die men aanhangt.
Een belangrijke vraag is, hoe men de geschie­denis van de schep­ping, zoals deze be­schre­ven staat in Gen. 1, in over­eenstem­ming kan bren­gen met dat­gene wat binnen de natuur­weten­schappen wordt geleerd. Wat is de relatie tussen de evolu­tie­theo­rie en Gen. 1? Hierover is het laatste woord nog niet geschreven.
       
In deze verhandeling ga ik in op enkele vragen rond de uitleg van Gen. 1:1‑5. Deze vragen zijn zowel door theologen als door natuurwetenschappers al eerder gesteld. Ik wil ze echter met name belichten vanuit taalkundig oogpunt. Kan onze kennis van het Bijbels Hebreeuws, de taal waarin deze schriftgedeelten zijn geschreven, ons helpen bij het beoorde­len van de ver­schil­lende uitleggingen die er van dit gedeelte bestaan? 1)
 
Ik wil hieronder ingaan op de volgende vragen: 
 
1. Als we diverse vertalingen van Gen. 1:1 met elkaar verge­lijken, valt op dat ze van elkaar verschillen. Aan welke verta­ling kunnen we de voorkeur geven?
 
2. Is er spra­ke geweest van een tijdskloof tussen Gen. 1:1 en Gen. 1:2? De zogenaamde restitutietheorie neemt aan dat na de schepping van hemel en aarde in Gen. 1:1 de aarde woest en ledig werd. Hierna vond, zoals is beschre­ven in Gen. 1:3 e.v., een herschepping plaats in zeven da­gen. Wordt deze opvatting ook door het Hebreeuws zelf gesteund?  
 
3. Hoe moet men de woorden "woest en ledig" opvatten?
 
4. Kan men het woord voor "dag" in Gen. 1:5 ook vertalen met "periode" of "tijdperk"? Sommige uitleggers willen zo de evolu­tietheorie met de schepping in overeenstemming brengen.
 
Ik heb getracht zo te schrijven, dat deze verhandeling ook te begrijpen is voor al degenen die geen Bijbels Hebreeuws kennen.
 
Iedere studie gaat uit van vooronderstellingen. Als christen geloof ik dat de Heilige Schrift door God is geïnspireerd en daarom vol­ledig betrouwbaar is. Ook de eerste verzen van Gene­sis maken deel uit van de Bijbel.
Het is dan ook mijn wens dat deze stu­die mag bij­dragen tot een beter verstaan van Gods Woord.       
 


1 Verschillende vertalingen van Gen. 1:1
 
We zijn zo gewend aan de vertaling van Gen. 1:1 "In den beginne schiep God de hemel en de aarde", dat we misschien niet besef­fen, dat er ook andere vertalingen mogelijk zijn. Dat valt op, wanneer we bijvoorbeeld Engelstalige bijbelver­ta­lingen raadple­gen.
Zo vertaalt de Good News Bible (1976) het eerste vers van de Bijbel als volgt: "In the beginning, when God crea­ted the uni­verse, the earth was form­less and desolate" ("In het begin, toen God de hemel en de aarde schiep, was de aarde woest en ledig").
Een andere Amerikaanse vertaling, de gezaghebbende joodse ver­taling van de Jewish Publication Society (1962), vertaalt het weer iets anders:
"When God began to create the heaven and the earth - the earth being unformed and void.... - God said .." ("Toen God de hemel en de aarde begon te scheppen - de aarde nu was woest en ledig - zei God.."). 2)
      
Deze twee Amerikaanse vertalingen lijken erg op elkaar. Toch is er wel een duidelijk verschil. De Good News Bible vat vers 1 op als een bijzin bij vers 2, die de hoofdzin vormt. Daarentegen laat de joodse vertaling de hoofdzin bij vers 3 beginnen ("God zei").
Daarentegen vatten onze Statenvertaling en de Nieuwe Vertaling van het NBG (1951) vers 1 op als een hoofd­zin.
Waarom vertalen deze Amerikaanse bijbeluitgaven Gen. 1:1 afwij­kend en hebben zij hierin gelijk? Wat is de juiste vertaling?
 
In het Hebreeuws staat er letterlijk:
Bere'sjiet (in een begin) bara' (schiep) 'elohiem (God)
'et hasj­sa­majiem (de hemel) we'et ha'ar­ets (en de aarde)
  
Om met de joodse vertaling te beginnen, deze is gebaseerd op de uitleg van Gen. 1 van een bekende joodse bijbelverklaarder, Rasji. 3)
De naam Rasji is de afkorting voor rabbi Solomon ben Isaac en hij was een van de bekendste middeleeuwse joodse commentatoren van de Bijbel en van de Talmoed. Hij leefde, zo neemt men aan, van 1040 tot 1105 in Troy­es in Frankrijk. Zijn commentaren hebben niet alleen een grote in­vloed uitgeoe­fend op de joodse commentatoren na hem, maar ook op de christe­lijke (bijv. Luther).
Rasji poneert in zijn commentaar op Genesis, dat ook in het Nederlands is vertaald, dat het woord "in het begin" (bere'sjiet) in een bepaalde Hebreeuwse constructie staat, waardoor het verbonden moet worden met het woord dat erop volgt, "schiep". 4) Hij komt dan tot de vertaling: "in het begin van het scheppen door God van hemel en aarde", d.w.z. "toen God begon te scheppen".
Als voornaamste argument voor deze vertaling poneert hij dat er letterlijk in het Hebreeuws niet staat "in het begin", maar "in een begin". Dat zou je niet verwachten, en daarom is er dan ook sprake van een bepaalde grammaticale vorm, die in het Hebreeuws "status con­structus" wordt genoemd. 5)
Daaronder verstaat men een bepaalde manier, waarop in het He­breeuws twee woor­den met elkaar verbonden kunnen worden. In het Nederlands zou men dan gebruik maken van het woordje "van", maar het Hebreeuws plakt als het ware twee woorden aan el­kaar, bijv. ben‑David: zoon (van) David.
Kenmer­kend voor deze wijze van zeggen is dat het eerste deel nooit een bepaald lidwoord kan krijgen ("de" of "het", in het Hebreeuws ha). Toch mag men wel vertalen alsof het lidwoord er staat. Men kan in het Hebreeuws dus wel zeggen: ben‑David en het vertalen, al naar gelang de context het ver­eist, met "de zoon van David" of "een zoon van David", maar men kan niet zeggen: ha (de) - ben‑Da­vid. Dit is onmogelijk. Het ontbreken van het lidwoord "het" in "in een begin" wijst er, aldus Rasji op, dat het verbonden moet worden met "schiep". Boven­dien, zo meent hij, in alle ande­re gevallen, waar in het Oude Testament het woord "begin" (in het Hebreeuws re'sjiet) voorkomt, staat het ook in de status construc­tus.
 
Heeft Rasji op dit punt gelijk? Naar mijn mening niet en wel om een aantal rede­nen.
 
1) De Masoreten, de joodse geleerden die in de achtste tot de tiende eeuw, de Hebreeuwse bijbel­tekst van klinkertekens hebben voorzien, vatten het niet zo op. In dat geval hadden ze andere klemtoon­tekens bij de tekst geplaatst. 6)
 
2) Geen enkele oude vertaling vertaalt het op de wijze van Rasji, noch de Griekse verta­ling: de Septuaginta, noch de Syri­sche vertaling: de Peshitta, noch de Aramese Targum Onkelos, noch de Latijnse Vulgata en noch de Armeense vertaling.   
Het is opmerkelijk dat de Griekse tekst van Joh. 1:1 eveneens leest "in een begin". Deze is immers gebaseerd op Gen. 1:1.
  
3) De bewering van Rasji dat de vorm re'sjiet in het Oude Tes­ta­ment altijd in de status constructus voorkomt is niet juist. Van de 51 maal in het Oude Tes­tament zijn er 5 plaatsen (Gen.­ 1:1 niet meegere­kend), waar dit woord niet in de sta­tus con­structus staat (Lev. 2:12; Deut. 33:21; Jes. 46:10; Ps. 105:36 en Neh. 12:44).
 
4) Nu zou men hieruit de conclusie kunnen trekken dat onze verta­lingen Gen.1:1 ook niet goed vertaald hebben. Immers geen enke­le vertaling geeft het weer met: "In een begin schiep..."
Toch is het feit dat het woord re'sjiet in Gen. 1:1 geen lid­woord bezit, is op zich zelf niet vreemd. De bijwoordelijke uitdruk­kingen, die aan dit woord verwant zijn en met een voor­zetsel verbonden worden, komen maar zelden voor met een lid­woord. Maar ze moeten wel vertaald worden met een lidwoord, bijvoorbeeld mero'sj ("vanaf het begin"), Jes. 40:21; 41:4,26; 48:16; Pred. 3:11; Spr. 8:23, miqqedem ("van ouds­her"), Jes. 45:21; 46:10, of me'olam ("oud­tijds"), Gen. 6:4; Joz. 24:2; 1 Sam. 27:8. 7)  
 
Daarom hoeft men hier niet aan een zogenaamde sta­tus‑con­struc­tus te denken en is de meest simpele vertaling mijns inziens ook de beste.
       
Om die reden is de vertaling van de Good News Bible evengoed af te wij­zen. Het is niet duidelijk, waarom men juist voor deze vertaling heeft gekozen. Het valt niet aan te nemen dat zij ook beïn­vloedt zijn door de jood­se exegese. 8) Zoals in het volgen­de deel aangetoond zal worden, kan vers 2 nooit een hoofdzin zijn. Mogelijk is deze vertaling ontstaan onder invloed van de resti­tutietheorie.
Zoals hieronder aangetoond zal worden, kan volgens de Hebreeuw­se grammatica vers 2 nooit een hoofdzin zijn.
 
 
2 Werd de aarde woest en ledig?
 
Ook de eerste twee woorden van Gen. 1:2 worden op verschil­lende manieren vertaald. In het Hebreeuws staat hier: weha'arets hajeta tohoe wabohoe" en de aarde was woest en ledig".
Sommigen willen in tegenstelling tot onze vertalingen weergeven met "en de aarde werd woest en ledig".
Deze vertaling wordt vooral voorgestaan door degenen die de restitutietheorie aanhangen.
In de Engelstalige wereld zijn er veel christenen, die deze opvatting aanhangen. Door de bekende Scofield Reference Bible, waarin ze wordt verdedigd, heeft ze een ruime versprei­ding gekregen. Ook in Nederland, met name in sommige evangeli­sche kringen, is deze opvatting populair. 9) En dat valt wel te begrij­pen, omdat op die manier ruimte wordt geboden voor de evolutie­theorie.
 
Wat houdt deze opvatting in? God heeft de hemel en aarde in Gen. 1:1 als goed geschapen. Na de schepping van hemel en aarde ontstond er echter chaos, doordat één van de engelen in opstand kwam tegen God. In zijn hoogmoed wilde hij aan God gelijk zijn. Zo werd deze engel tot de Satan. Toen hij tot val werd ge­bracht, werd daar­door de aarde tohoe wabohoe, Hebreeuws voor "woest en ledig", dat wil zeggen tot een complete chaos.
Als argument voor deze opvatting haalt men ondermeer Jes. 45:18b aan: "Hij is God - die de aarde geformeerd en haar ge­maakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (tohoe), heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd.." Hieruit blijkt, zo zegt men, dat God de aarde niet als een tohoe wabohoe heeft ge­schapen. Eveneens wordt uit Jer. 4:23 en Jes. 34:11, de enige passages, waar deze uit­drukking nog verder voorkomt geconcludeerd dat het hier om een toestand gaat, die het gevolg is van een oordeel van God. Na een perio­de van cha­os, waar­van men niet weet hoe­lang die heeft geduurd, begon God met het herscheppen van de aarde, hetgeen zes dagen duur­de. Vandaar ook de naam "restitu­tie", letterlijk Latijn voor herschep­ping. Daarom wil men het begin van Gen. 1 ook vertalen: de aarde werd woest en ledig.        
Binnen deze theorie zijn verschil­lende variaties mogelijk. Sommigen nemen aan dat de aardlagen zijn ontstaan tussen Gen. 1:1 en 1:2, terwijl weer anderen van mening zijn dat dit pas tijdens de zondvloed heeft plaatsgevonden. Weer anderen laten ruimte voor de evolutietheorie: de aarde is miljoenen jaren geleden ontstaan, maar pas zesduizend jaar geleden door God herscha­pen. Men neemt dan soms ook aan dat er mensen hebben bestaan voor Adam. Kortom, onder de aanhangers hiervan bestaat op een aantal punten verschil van mening over details.
 
Overigens is deze opvatting al zo oud als het christendom, we vinden haar terug bij kerkvaders als Origines en Augus­tinus, maar ook bij moderne orthodoxe oudtestamentici als F. De­litzsch en bij een apolo­geet als C.S. Lewis. 10)
 
Wordt deze opvatting ge­steund door onze kennis van het Bijbels Hebreeuws de grammatica? De vraag is: Moet de werkwoords­vorm hajeta vertaa­ld worden zoals de Statenvertaling en NBG het doen met "was", of met "werd"? 11)
 
Nu is het helemaal niet zo eenvoudig om daarop een antwoord te geven, zelfs niet voor mensen die goed Hebreeuws kennen, laat staan voor hen die weinig van deze taal afweten.
Wat veel onderzoekers doen om op deze vraag een antwoord te krijgen, is meestal het volgende: Men pakt een Hebreeuwse con­cordantie, zoekt daarin op waar het woord hajeta in het Oude Testament voorkomt en gaat vervolgens na hoe het in de diverse vertalingen wordt weergegeven. En dan blijkt inderdaad dat men dit woord vaak kan vertalen met "werd".
Dit is mijn inziens echter niet zo'n goede methode, omdat het geen recht doet aan de eigenaardigheden van het Hebreeuwse werkwoord.
 
In het Hebreeuws kent men twee verschillende "tijden": een zogenaamd perfec­tum en een zogenaamd imperfectum. Deze termen heeft men ontleend aan de Latijnse gram­matica. Maar de genoemde werkwoordsvormen dekken slechts ten dele de letterlijke beteke­nis van Latijnse termen. Letterlijk betekent perfec­tum vol­tooi­de tijd. Maar als je een concordantie raadpleegt, zie je dat zo'n per­fectum­vorm (zoals ook hajeta) in de vertalingen zowel met een te­genwoor­dige, als met een ver­leden of als ook met een voltooid verleden tijd verta­ald kan worden. En dat geldt ook voor een imperfectumvorm. Die wordt zowel met een tegen­woordige als met een toeko­men­de tijd ver­taald worden. Voor een deel overlappen ze elkaar dus. En wanneer ook nog in bepaalde geval­len een perfectum met een toekomende tijd vertaald kan worden en een imperfectum met een verleden tijd, dan lijkt de verwar­ring helemaal compleet.
Daarom willen sommige gramma­tici de ter­men per­fectum en im­per­fectum vervangen door meer ge­schikte termen.      
Er bestaan binnen de Hebreeuwse taalwetenschap heel veel ver­schillende theorieën over de precieze verschillen tussen per­fec­tum en imperfectum. 12)
 
Nu moet u uit het bovenstaande niet het idee krijgen dat de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament daarom onmogelijk te vertalen is. Uit de context is vaak duide­lijk hoe vertaald moet worden. Niemand vertaalt Gen. 1:1 met: "In den beginne zal God de hemel en de aarde scheppen." Alleen in bepaal­de gevallen, zoals in Gen. 1:2, kan het pro­ble­men opleveren.    
 
Daarom kunnen we de vraag of hajeta in Gen. 1:2 met "werd" of "is geworden" vertaald mag worden, beter vanuit een ander ge­zichtspunt benaderen. Wat is het doel van Gen. 1:2? Is hier sprake van een opeenvolging van gebeurtenissen of niet? Welke relatie bestaat er tussen Gen. 1:2 en het voorafgaande vers en het er opvolgende vers. Als we die vraag beantwoord hebben, dan kunnen we ook vaststellen, hoe het vertaald moet worden.
 
Kenmerkend voor het Hebreeuwse proza van het Oude Testament is dat een verhaal meestal begint met een zogenaamde perfectumvorm en vervolgens wordt het verhaal voortgezet met behulp van een speciaal soort imperfectumvorm (het zogenaamde imperfectum-consecutivum), die met een verleden tijd moet worden vertaald. 13)
Dat is ook het geval in Gen. 1:1. Hier staat: "In de be­ginne schiep (dit is een perfectumvorm) God de hemel en de aarde". De geschiedenis van de schepping van de wereld wordt voortgezet in vers 3. "En God zeide: Er zij licht". 
Voor het werkwoord "zei­de" wordt die speciale imperfectumvorm gebruikt. En ook voor de andere werkwoordsvormen in Gen. 1 wordt grotendeels die vorm gebruikt: "En er was licht", vers 4: En God zag...", "En God maakte scheiding...", vers 5: "En God noemde..", etc. Het gaat hier allemaal om die speciale imper­fectumvorm.
Vers 2 valt hier dus uit de toon. Wanneer de bijbeltekst had willen weergeven: "En de aarde werd woest en ledig", nl. als beschrijving van een er opvolgende gebeurtenis, dan zou er m.i. gebruik zijn gemaakt van zo'n imperfectum consecutivum en niet van een perfectum. Het Hebreeuws zou dan geluid hebben: watte­hi en niet hajeta.
De vraag blijft natuurlijk wel staan, waarom in Gen. 1:2 een perfectumvorm wordt gebruikt. Hoe moet men Gen. 1:2 opvatten. Hiervoor bestaan verschillende mogelijkheden.
 
Volgens een aantal Hebreeuwse gram­matica's is hier sprake van een soort bijzin, men noemt dat een omstan­dig­heidszin. Hieron­der verstaat men een zin die een bepaalde toestand beschrijft en die onder­scheiden moet worden van een verhalende zin. Voor­beelden van dergelijke ­zinnen zijn Gen. 12:8 ("terwijl Bet­hel in het Oosten en Ai in het Westen lag"); 2 Sam. 18:14 ("ter­wijl hij nog leefde") en Gen. 48:14 ("terwijl hij zijn han­den krui­se­lings legde"). etc.  
Omstandigheidzinnen kunnen zowel voor als na de zin die de hoofdgedachte uitdrukt voorkomen. Theoretisch zou Gen. 1:2 zowel verbonden kunnen worden met vers 1 als met vers 3. De eerste mogelijkheid lijkt mij minder waarschijnlijk, en wel om een inhoudelijke reden. 14) Dit zou im­pliceren dat God, toen Hij de aarde schiep, deze al in een woeste staat hiervoor aan­wezig was. En dit is mijns inziens strijdig met wat we kunnen opmaken uit andere teksten, zowel uit het Oude als Nieuwe Tes­tament, zie bijv. Spr. 8:22‑26; 2Macc. 7:28; Joh. 1:1‑3; Hebr. 11:3). 15) 
Het is dus waarschijnlijker dat vers 2 op een of andere manier verbonden moet worden met vers 3.
 
In het Oude Testament vindt men een aantal teksten die op pre­cies dezelfde wijze worden geconstrueerd als Gen.1:2. Hier geeft het aan, dat er iets wordt toegevoegd door middel van een bijzin, wat noodzakelijk is voor een beter begrip van wat er volgt.
Twee voorbeel­den van een dergelijke constructie zijn bijvoor­beeld: Gen. 3:1 "En (we) de slang nu was (haja) het listigste van alle dieren van het veld, die de Here God had gemaakt, en hij zei (imper­fectum consecutivum) tot de vrouw:"
Om wat volgt beter te kun­nen begrijpen is noodzakelijk om te weten dat de slang een zeer listig dier was.  
 
Gen. 13:2 "En (we) Abram was zeer rijk aan vee, zilver en goud en hij ging" (imperfectum consecutivum)..." Om de in dit hoofd­stuk beschreven ruzie en scheiding tussen Abraham en Lot te kun­nen begrijpen, is het noodzakelijk te weten dat Abram zeer veel vee bezat. 16)  
Zo kan men ook Gen. 1:2 opvatten. Deze opmerking over de toe­stand van de aarde, nl. dat zij woest en ledig was, etc, is noodzakelijk om te begrijpen waarom God het licht moest schep­pen en scheiding moest aanbrengen tussen water en droge, etc..         
Op grond van bovengenoemde argu­menten ben ik dan ook van me­ning, dat men in Gen. 1:2 de werk­woords­vorm haja niet mag ver­talen met "werd" of "is geworden". Het He­breeuws zou dan van een ande­re werkwoordsvorm gebruik hebben ge­maakt en wel van een imperfec­tum‑consecutivum.
Gen. 1:2 geeft ons aanvullende informatie over wat er in Gen. 1:3 ge­schiedt: de eerste schep­pings­dag. Zo vertalen al de oude ver­talingen van het Oude Testament dit vers.
      
Men kan Gen.1:2 dus beter niet vertalen met "werd". Maar spreekt deze grammaticale analyse van Gen. 1:2 dan de restitu­tietheorie tegen? Hierin moeten we voorzichtig zijn. Als vers 2 verbonden moet worden met vers 3 en daar dus iets aanvullend over zegt, dan betekent dat niet dat er geen tijdsperiode kan zijn geweest tussen Gen. 1:1 en 1:2. Hooguit kan men zeggen dat de bijbel­tekst daarover geen uitspraak doet, pro noch contra. Wel is het zo, dat als de tekst dit echt bedoeld zou hebben, men voor een andere werkwoordsvorm zou hebben gekozen. De vraag blijft na­tuurlijk wel staan hoe men de uitdrukking tohoe wabo­hoe moet vertalen.
 
3 Is tohoe wabohoe een chaos?
 
Één van de belangrijkste argumenten die de aanhangers van de restitutietheorie aanvoeren voor hun opvatting, dat de aarde na de schepping tot een chaos is geworden, wordt gevormd door de vertaling van de woorden tohoe wabohoe. Zij vatten namelijk deze woorden op als een aanduiding voor een complete chaos.
Nu behoeft de Nederlandse uitdrukking "woest en ledig" niet primair te slaan op een chaos. Dat blijkt uit de nieuwste "Dik­ke van Dale". Deze geeft onder het trefwoord "woest" de volgen­de omschrijving:
"1. Ledig, zonder plantengroei of onbebouwd: de aarde nu was woest en ledig (Gen. 1:2); woeste grond, niet in cultuur ge­bracht.
2. wild, verwilderd, onordelijk"
De "dikke van Dale" kiest in navolging van de Nederlandse bij­belvertalingen in Gen.1:2 voor de eerste betekenis van "woest".
Daarentegen kiezen de aanhangers van de restitutietheorie voor de tweede interpretatie van woest, namelijk als iets dat onor­delijk is.
Het Nederlands brengt ons dus niet veel verder. Wat valt vanuit het Hebreeuws over deze woorden te zeggen?
 
De woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws brengen ons evenmin veel verder. Zo geeft het "Bijbels Hebreeuws Nederlands Woor­denboek" van E. Italie uit 1907 (herdruk 1994, de Haan-boeken, Ede), in navolging van het gezaghebbende Duitstalige Hebreeuwse woordenboek van Gesenius als vertaling van tohoe "woestenij; woestheid; verwoesting" en van bohoe "ledigheid; eenzaamheid". De modernere woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws leveren weinig nieuws op, of het moest zijn, dat zij tohoe met ledig­heid vertalen en bohoe met woestenij, net andersom dus.
Een probleem is dat we in het Hebreeuws geen woorden van de­zelfde stam hebben. Kenmerk van de Semitische talen is name­lijk, dat men van een woordstam verschillende woorden kan af­leiden, waardoor we een idee krijgen wat zo'n woord betekent. Evenmin zijn in andere semitische talen parallellen voor de woorden tohoe wabohoe gevonden. In populaire studies wordt vaak beweerd dat zij verwant zijn aan woorden in het Babylonisch-Assyrisch, maar dit is niet juist gebleken. Mogelijk is het woord tohoe verwant an het Ugaritische woord thw dat woestijn betekent. Voor de vertaling van dit woord kunnen we daarom niet bij andere talen te rade gaan.
 
Het raadplegen van een Hebreeuwse concordantie leert ons dat het woord tohoe twintig keer in het Oude Testament voor­komt, waarvan drie keer in combinatie met bohoe, dat verder los niet voorkomt. Behalve in Gen. 1:2 komt het in combinatie alleen voor in Jes. 34:11 en Jer. 4:23. Los wordt tohoe meestal ver­taald met "leeg­heid".
 
U. Cassuto, een Israëlische geleerde heeft in zijn commen­taar bij Gen. 1:2 opgemerkt dat de meeste commentatoren de fout maken dit woord tohoe apart te bestuderen. Naar zijn mening is dit methodisch niet juist. De uitdrukking tohoe wabohoe vormt een vaste uitdrukking en behoeft daarom niet vertaald te worden als de afzonderlijke woorden. Als voorbeeld van zo'n samenge­stelde uitdrukking, die tezamen iets anders betekenen als de afzonderlijke componenten, noemt hij het modern Hebreeuwse woord kolno'a. het is samengesteld uit de woorden kol, letter­lijk stem en no'a letterlijk beweging. Maar tezamen is het het woord voor bioscoop! Dit zou je uit de afzonderlijke woorden niet zo gauw opmaken. Hij vat tohoe wabohoe als een uitdrukking op. 17)
 
De meeste vertalingen vertalen deze woorden als bijvoeglijke naamwoorden, maar gezien de woordconstructie ligt het meer voor de hand om aan zelfstandige naamwoorden te denken, dus bijv. niet woest en ledig, maar woestheid en ledigheid."
 
Laten we daarom de drie teksten Gen. 1:2, Jer. 4:23 en Jes. 34:11 eens nader bekijken. Wat kunnen we uit de context van Gen. 1:2 opmaken met betrekking tot de uitdrukking tohoe wabo­hoe? De aarde was bedekt met water alles daarboven was als het ware bedekt met duisternis. Er waren geen levende wezens, geen plan­ten of dieren. Er was sprake van een totale leegheid en verla­tenheid. Vandaar dat ook velen hebben voorgesteld om tohoe wabohoe te vertalen met "leegheid" of "complete leegheid". De aarde was immers leeg, er waren geen planten, dieren en mensen. Deze moesten nog geschapen worden.
 
In Jer. 4:23 lezen wij: "Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet." Deze tekst geeft een beschrijving van hoe het land er uit zal zien nadat de vijanden uit het noorden er hebben huisgehouden. Er is dan geen mens meer over, alle vogels zijn weggevlogen (vers 25), het land is tot een woestenij geworden (vers 26, 27). Deze situatie zal te vergelijken zijn met de situatie van de eerste scheppingsdag. Het aspect van leegheid past dan ook goed binnen deze context. Het land is ontvolkt en zelfs de die­ren en vogels zijn verdwenen.
Nu is hier inderdaad sprake van een oordeel. Door de zonden van het volk en van haar leiders is het land door vijandelijke legers uit het noorden aangevallen, veroverd en verwoest. Maar het oordeel komt hierin tot uiting, dat het land, dat eertijds een dicht bevolkt land overvloeiende van melk en honing was, als het ware weer terug geplaatst is naar de situatie van voor de eerste scheppingsdag. Daarom mogen we op grond van deze tekst niet de conclusie trekken dat ook in Gen. 1:2 sprake is van een oordeel van God.
 
Evenzo verwijst Jes. 34:11, het gedeelte dat spreekt over het gericht van God over Edom, terug naar Gen. 1:2. "Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit, uil en raaf huizen daar; Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der ledig­heid". Het vroeger zo dichtbevolkte gebied van Edom zal nu aan de wilde dieren ten prooi vallen, omdat er geen mensen zullen wonen. In het gericht van de HEERE zijn zij allen door het zwaard omgekomen. Vers 12 vervolgt met: "Van zijn edelen is er geen, die het koninkrijk uitroept, en geen zijner vorsten is er meer. In zijn burchten schieten dorens op, netels en distels in zijn vestingen; en het zal een verblijf voor de jakhalzen zijn, een hof voor de struisvogels."
Ook hier is een duidelijk aspect van leegheid aan te wijzen: het land is onbewoond, er zijn geen inwoners meer, en daarom is het prijsgegeven aan de wilde dieren. Dat vormt het oordeel dat het land Edom zal lijken op de aarde voor de eerste scheppingsdag, toen er nog geen mensen waren.
 
Een andere tekst die de aanhangers van de restitutietheorie vaak aanhalen is Jes. 45:18. "Want zo zegt de HEERE, die de hemelen geschapen heeft - Hij is God - die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (tohoe) heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de HERE en er is geen ander". Volgens hun blijkt hieruit dat God de wereld niet tot een chaos heeft geschapen, dus de situatie van Gen. 1:2 is niet oorspron­kelijk maar zo geworden.
Mijns inziens wordt hier vooral het contrast tussen "baaierd" (tohoe) en "ter bewoning" benadrukt. De HEERE, de enige verlos­ser van Israël, de Schepper van hemel en aarde, wil dat Zijn volk naar Hem luistert, zich tot Hem bekeert, zodat zij zullen terugkeren uit de ballingschap en veilig zullen wonen in het land, dat Hij hen heeft gegeven.
Blijkbaar is tohoe hier het tegenovergestelde van iets dat bewoond is. Ook hier past het aspect van leegheid. God heeft immers de wereld geschapen opdat het vol leven zou zijn en bewoond zou worden door mensen en dieren.
Men mag daarom op grond van Jer. 4:23 en Jes. 34:11, waar spra­ke is van een oordeel van God over resp. Juda en Edom niet de conclusie trekken dat ook in Gen. 1:2 sprake is van een oordeel van God. Al deze teksten wijzen terug naar Gen. 1:2 en ze waarschuwen de toehoorders dat de situatie weer zal worden, zoals het ook voor de eerste scheppingsdag was, namelijk onbe­volkt en leeg. Het oordeel is juist dat de klok teruggedraaid zal worden. In Gen. 1:2 zelf is echter geen sprake van een oordeel, maar van een begintoestand.
Een vertaling "chaos" in Gen. 1:2 en andere teksten is mijns inziens dan ook niet goed gekozen. Het woord "chaos" heeft in onze taal een negatieve bijklank, die we in de bijbeltekst niet vinden. Het woord chaos zelf is van Griekse oorsprong en staat in tegenstelling tot kosmos, de geordende wereld.
Daarentegen hebben de Hebreeuwse woorden de connotatie van leegheid en onbewoond zijn. Het is nog maar de vraag of in het oudtestamentische denken eenzelfde inhoud geeft aan het woord chaos, zoals de Grieken dat doen.
 
Hoe moeten we ons dan de situatie van Gen. 1:2 voorstellen? U. Cassuto geeft een mooie beschrijving van dit vers: "Net zoals de pottenbakker, wanneer hij een mooie vaas wil maken, eerst een klomp klei pakt en het op een pottenbakkerswiel plaatst om het te kneden, zoals hij het wil, zo maakte de Schepper eerst voor zich zelf het ruwe materiaal van het universum om het daarna te ordenen en leven te geven. Omdat alles nog niet ge­vormd was, lagen de zwaarste materialen op de bodem, met het water als het lichtste er boven op. En deze situatie wordt tohoe wabohoe genoemd. Er is dus geen sprake van chaos of wan­orde in de nega­tieve zin des woords, maar alleen van een onbe­woonde, nog niet geordende situatie."
Hoe zouden we tohoe wabohoe dan kunnen vertalen? Sommige ge­leerden denken dat bohoe een versterking vormt van tohoe. Je zou het dan kunnen omschrijven als een uiterste leeg­heid. Toen God in vers drie met scheppen begon, was de aarde in een com­plete staat van verlatenheid en eenzaamheid.      
 
 
4 Kan een dag ook een tijdperk zijn?       
 
Er zijn in de loop van de tijd veel theorieën ontwikkeld die trachten het bijbelse scheppingsverhaal met de evolutieleer te harmoniseren. Sommigen baseren zich hierbij op de verta­ling van het He­breeuwse woord jom. Ge­woonlijk wordt dit woord met "dag" vertaald, maar in Gen. 1 zou het dan met "tijd­perk" vertaald moeten worden.   
De zogenaam­de concordis­tische opvatting (Day‑Age Theo­ry) po­neert dat de dagen van Genesis tijd­perken van lange duur zijn ge­weest, die overeenko­men met de geologische tijdper­ken. 18) 
Een variant hierop is de zogenaam­de interperiodisti­sche opvat­ting (Pictorial Day Theory). Deze gaat er wel vanuit dat een jom een tijdvakken van vier en twintig uur is, maar de dagen van de schepping zijn echter niet aaneensluitend, maar van elkaar gescheiden door perioden van lange duur. De zes dagen van de schepping zijn niet de dagen van de scheppingsarbeid, maar van de schep­pingsopenbaring. 19)
Aan bovengenoemde theorieën ver­want is de zoge­naamde kaderop­vatting (Framework Hypothesis). 20) Volgens deze opvatting biedt Genesis 1 slechts een beschrijving van de schep­pings­wer­ken die volgens een bepaalde kunstmatige orde over zes dagen worden verdeeld. Of dit de juiste volgorde van de schep­ping is, is niet van belang. Evenmin is het van belang hoe lang de dagen van Gen. 1 hebben geduurd.        
 
Omdat deze theorieën zijn gebaseerd op de vertaling van het woord jom, wil ik hieronder nagaan of dit vanuit taalkundig oogpunt wel mogelijk is. Kan het woord voor dag in Gen.­ 1 ook vertaald worden met "tijd­perk". Gaat het hier om een dag, an­ders dan een dag van vier­entwin­tig uur?      
 
Één van de moderne verdedigers van de opvatting dat jom met tijdperk vertaald moet worden, is een bekende Amerikaanse evan­gelische oudtestamenticus, Gl L. Archer in zijn inlei­ding op het Oude Testa­ment. 21) Volgens hem zijn er drie ver­schillende opvattingen mogelijk:
 
1) Het Hebreeuwse woord jom geeft een letterlijke dag van 24 uur aan: de schep­ping (of herschepping) heeft in zes dagen plaatsgevonden. Merk­waardigerwijs verbindt hij deze theorie aan de restitutietheo­rie, die hij overigens afwijst.  
 
2) Het woord jom geeft een openbaringsdag weer. Mozes zou dan in een visi­oen, gedurende zes dagen hebben gezien hoe God de hemel en de aarde heeft geschapen. Zoals Archer zelf al op­merkt, is er weinig in de tekst van Genesis, dat hiervoor steun biedt.  
 
3) Het woord jom betekent niet dag, maar tijd­perk of stadium. De zes scheppingsdagen zijn dan ook scheppingstijdperken ge­weest.       
 
Archer hangt de derde theorie aan. Het is volgens hem de enige opvatting die min of meer in harmonie is met hetgeen de geolo­gie en evolutietheorie ons leert. Zijn bezwaren tegen de opvat­ting van jom als letter­lijke dag zijn tweeledig:       
In Gen. 2:4 staat letterlijk: "Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde in hun gescha­pen worden, op de dag (jom) dat zij gemaakt werden". Het woord jom slaat in dit vers op de hele schepping in zes dagen en niet op één dag.       
Ten tweede staat er in Gen. 1:27 dat op de zesde dag man en vrouw werden geschapen. Uit Gen. 2 blijkt echter duidelijk dat tussen het scheppen van Adam en de schep­ping van Eva meer dan één dag moet zijn geweest. Immers hoe was het mogelijk dat binnen een dag of waarschijnlijk zelfs in enkele uren Adam niet alleen in staat was de hof van Eden te bewerken, maar ook alle dieren van een naam te voorzien en op te merken dat hij eenzaam was. Daarom moet de zesde dag, aldus Archer, wel langer hebben geduurd dan vier en twintig uur. Als dat zo is, kunnen de ande­re dagen ook wel langer dan vier en twintig uur hebben geduurd. 
Heeft Archer hierin gelijk? Men behoeft hiervoor slechts de gezaghebbende woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws te raad­plegen. In één blik ziet men dat het woord jom, losstaand en niet ver­bonden met een voorzetsel, in alle geval­len "dag", in de gewone bete­kenis van het woord, betekent. Duidelijke teksten zijn onder andere Gen.­ 8:22 en 29:7, waar "dag" wordt ge­bruikt als tegen­stel­ling tot "nacht". Wanneer jom echter met een voor­zet­sel, zoals bij­voorbeeld be (in, op) wordt verbon­den, dan kan wel ver­taald worden met "ten tijde van" of "toen" in plaats van "op de dag (dat)". Dit is echter een vaste uit­druk­king, zoals we ook in het Neder­lands kunnen zeggen "ten dage van" met de betekenis van "ten tijde van".
In Gen. 2:4 wordt jom ge­bruikt in sa­menstelling met be en mag om die reden vertaald worden met "toen". Deze tekst mag daarom niet ge­bruikt worden als bewijs voor een vertaling van jom als "tijd­perk".
Dat het om letterlijke dagen gaat, blijkt wel uit de uitdruk­king "en het was avond, en het was morgen...", en uit het feit dat op de derde dag zon, maan en sterren werden geschapen.       
Hoelang zo'n dag precies heeft geduurd, valt natuurlijk niet meer na te gaan. Wij weten niet of de tijdsduur van de draaiing van de aarde ten tijde van de schepping verschilde van die heden ten dage. Maar daaruit mag niet de conclusie worden ge­trokken dat de duur van zo'n dag dan wel gelijk aan die van een tijdperk moet zijn geweest.       
Daarom worden bovengenoemde theorieën, hoe aantrekkelijk het ook mag zijn om de zo de evolutieleer met het bijbelse schep­pingsverhaal te verbinden, niet gesteund door onze kennis van het Hebreeuws.
 
Noten
 
1) Deze studie is een bewerking van een artikel 'Enkele gramma­ticale opmerkingen bij de uitleg van Gen. 1:1-5', dat is opge­no­men in de Handleiding bij de studie van het Bijbels He­breeuws, Barneveld 1991, p. 57-84, het collegedictaat dat ik gebruik bij mijn onderwijs in Bijbels Hebreeuws. Delen van dit artikel zijn in bewerkte vorm eveneens als artikel verschenen in het tijd­schrift Profetisch Perspec­tief jrg. 1 nr. 1, p. 43-44 en nr. 3, p. 41-42.
2) A New Translation of the Holy Scriptures, ac­cor­ding to the Masoretic text, the Torah, The Jewish Publi­ca­tion Society of America, Philadelphia, 1962.
Ook de Leidse Vertaling vertaalt zo: "Toen God een aanvang maakte met de schep­ping van hemel en aarde ‑de aarde was .... ‑ sprak God", evenals de New American Bible, 1971;
3) Chaim Pearl, Rashi, London 1988, m.n. p.91vv. 
4) A.S. Onderwijzer, Nederlandsche Vertaling van den Pentateuch benevens ene Nederlandsche verklarende vertaling van Ras­hie's Pentateuch‑commentaar, Amsterdam 1895, herdruk 1975, deel 1, p. 2v.
5) Zie b.v. J.P. Lettinga, Grammati­ca van het Bijbels He­breeuws, Leiden 1976, &25a
6) In de Hebreeuwse bijbeltekst staat namelijk onder dit woord een zoge­naamde Tipha of Tarha, een teken ( ) dat aangeeft dat het om een zelfstandig woord gaat, dat niet ver­bonden kan wor­den met andere woorden.        
7) A. Heidel, The Babylonian Genesis, Chicago, 1950, p.93  
8) Een andere bekende joodse exegeet Abraham Ibn Ezra (1089‑1164), geboren in Toledo, Spanje vat ook Gen. 1:2 op als een hoofdzin. Er zijn maar weinig vertalingen die hem hierin zijn nagevolgd, zie o.a. de vertaling van Robert Young, The Holy Bible, consisting of the Old and New Cove­nants, trans­lated according to the Letter and Idi­oms of the Origi­nal Lan­gu­ages, New York 1911 en de New English Bible (1972)
9) Zie voor een verdediging van deze theorie o.a.: A.C. Custan­ce, Time and Eternity and other Biblical Stu­dies, Vol. VI: The Doorway Paper, Grand Rapids 1977, p. 76‑118; K.A. Den Breejen, Schep­ping, val en vloed, Fra­neker, 1970, p. 40‑48; W.J. Ouwe­neel, Kanttekeningen bij Genesis één, Uit het Woord der Waar­heid, Winschoten 1974, p.34vlgg.
10) C.S.L. Lewis, The Problem of Pain, London 1975, p.121‑123.
11) Zie voor een bestrijding op theologische gronden: B.K. Waltke, 'The Creation Account in Genesis 1:1‑3' in Bibliotheca Sacra 132 (1975), 25‑36, 136‑144, 216‑228, 237‑341; 133 (1976), 28‑41.
12) Zie b.v. F.C. Fensham, 'The use of the suffix‑conjugation and the praefix‑conjugation in a few old hebrew poems', JNSL IX, 1978, p.9‑18. Zie voor een uitgebreid literatuurover­zicht: P.A. Siebesma, The function of the nif'al in Biblical Hebrew, Assen 1991, p. 173v.
13) Zie b.v. J.P. Lettinga, Grammati­ca van het Bijbels He­breeuws, Leiden 1976, &42d; W. Schneider, Grammatik des bibli­schen Hebräisch, 5, München 1982, p. 182vv.
14) M.F. Unger, 'Rethinking the Genesis Account of Crea­tion', in Bibliotheca Sacra 115 (1958), 27‑353 vat op grond van theo­logi­sche argumenten vers 2 wel op als omstandigheidszin bij vers 1   
15) A. Heidel, The Babylonian Genesis, Chicago, 1950, p.91v.
16) Andere voorbeelden zijn Gen. 31:19, 31:34; 37:3; 48:10; Ex.3:1; Num. 32:1; Ri. 11:1; 1Sam. 3:1; 9:15; 28:3; 2Kon.5:1
Zie verder B. Jongeling, 'Some Remarks on the Beginning on Gene­sis I, 2', Folia Orientalia XXI, 1980, p.27‑32  
17) U. Cassuto, A Commentary on the Book of Gene­sis, Jeru­salem 1961, p. 19,20                                                 18) zie K.A. Den Breejen, Schepping, val en vloed, Franeker 1970, p.10, 15, 48‑64. Deze opvatting is al heel oud en vinden we reeds bij Augustinus (De Civitate Dei, 11, 6‑7)
19) cf. K.A. Den Breejen, a.w. onder noot 38. Aanhangers van   deze theorie waren onder andere F. Bettex, Modern Science and Christianity, London 1903 en P.J. Wiseman, Clues to Creati­on in Genesis, London 1977, zie onder andere p. 203‑207  
20) cf. K.A. Den Breejen, a.w. onder noot 38.Aanhangers van   deze theo­rie waren onder andere A. Noordtzij, Gods woord en der eeuwen ge­tuigenis, Kampen 1931, p.105‑142 en N.H. Ridderbos, Is there a conflict between Genesis 1 and Natural Science?, Grand Rapids 1957. Zie voor een bestrijding van deze opvat­ting: E. Y. Young, Genesis 1, Groningen 1971, p. 26, noot 7. 
21) GL. L. Archer, A Survey of Old Testament Introduction, Chicago, 1985, p. 189-194
22) Zoals bijv. W. Gesenius, Hebräisches und Aramäi­sches Handwörter­buch über das Alte Testament, 17e Aufl., Berlin (1915) 1962;
Brown ‑ Driver‑ Briggs ‑ Gesenius, A Hebrew and En­glish Lexicon of the Old Testament, based on the Lexicon of W. Gesenius, Oxford 2e druk (1951) 1972;
L. Koehler en W. Baum­gart­ner, Lexicon in veteris testamenti li­bros, Leiden 1985
Hebräisches und Aramäisches Lexicon zum Alten Testa­ment, 3. Aufl., neubearbeitet vom W. Baumgartner, enz.
 
 Dit artikel is met toestemming overgenomen van Prof. Dr. P.J. Siebesma