Home Artikelen Theologie Theologen en Darwin Voetius' antwoorden bij de schepping
Voetius' antwoorden bij de schepping PDF Afdrukken E-mail

WOUDENBERG – „Heeft Godt alles tseffens (in één keer) geschapen?” „Neen.” „In hoe langen tijdt heeft hy dan geschapen?” „In ses dagen.” „Is dat eygentlick te verstaen?” „Ja.”

De antwoorden die de zeventiende-eeuwse theoloog Gisbertus Voetius in zijn ”Catechisatie (…) over de Leere des Christelicken Catechismi” (1659) geeft, lijken aan duidelijkheid weinig te wensen over te laten. Toch wordt in het evolutiedebat ook zijn naam wel eens genoemd als zou hij ruimte hebben gelaten voor een minder klassieke lezing van de eerste hoofdstukken van de Bijbel.

In de huiskamer van zijn woning in Woudenberg wijst dr. C. A. de Niet naar de rij Voetiusbanden die de boekenkast vullen – het merendeel in het Latijn. „Ik maak me sterk”, zegt hij, „dat er vrijwel niemand is die alles wat Voetius hierover heeft geschreven, ooit heeft gelezen. Ikzelf ook niet. Maar dat lijkt me toch wel een eerste vereiste voordat je hem in deze discussie betrekt.”

„Waar ik een vurig tegenstander van ben, is dat we de groten uit het verleden ónze vragen gaan laten beantwoorden”, zegt de docent klassieke talen aan het Van Lodensteincollege in Amersfoort. „Het gevaar dat je hen laat buikspreken, is levensgroot. Maar daarmee bega je een historische zonde.”

Gisbertus Voetius blijft een beetje zijn eerste liefde, laat De Niet weten. In het kader van zijn dissertatie (1996) vertaalde hij Voetius’ monumentale werk ”De praktijk der godzaligheid” in het Nederlands.

Het is maar een van de vele geschriften die Utrechts eerste hoogleraar in de theologie naliet. De meeste bleven onvertaald – en zullen dat, verwacht De Niet, wel blijven ook.

Zo ook die waarin Voetius zijn opvattingen over de schepping te berde brengt. „Daarvoor zijn we aangewezen op onder andere tien disputaties en een reeks zogeheten ”Problemata de creatione”. Samen beslaan ze meer dan 430 bladzijden in quartoformaat en klein korps. Ga er maar aan staan.”

Moeilijkheden

„Wat in elk geval opvalt”, zegt De Niet, „is dat Voetius de moeilijkheden op dit terrein niet uit de weg wil gaan. Theologen ontkomen er volgens hem haast niet aan om, „als dat zo te pas komt”, na te denken over een antwoord op de vragen die van tijd tot tijd bij het getuigenis van de Schrift worden geplaatst.”

In onder andere zijn disputaties werpt de godgeleerde tal van „problemen” op, die hij vervolgens van een antwoord voorziet. „Zijn alle soorten dieren, ook de giftige en de schadelijke, door God geschapen?” „Ja. Want na de zes dagen zijn er geen nieuwe soorten meer door God geschapen.”

„Wat je bij Voetius wel merkt”, zegt De Niet, „is dat hij nog met een bepaalde onbevangenheid naar deze thematiek kon kijken. Wij zijn dat misschien wel eens een beetje kwijtgeraakt. Bij hem ging misschien ook wel iets sneller de hand op de mond. Dat een scheppingsdag 24 uur heeft geduurd, zul je Voetius zo niet horen zeggen. „Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.” Meer staat er niet.”

Voetius verzet zich daarom ook tegen mensen als James Ussher, die meenden exact te kunnen berekenen wanneer, en soms zelfs: hoe laat, de schepping had plaatsgevonden. „Het kan niemand die er ook maar even over nagedacht heeft, onbekend zijn dat zo’n berekening tal van tekortkomingen heeft”, schrijft hij.

Voor de rest van dit artikel zie de onderstaande link:
http://www.refdag.nl/artikel/1405144/Voetius+antwoorden+bij+de+schepping.html